Nogal wat verwarring over de locatie van resp. de blekerijen (oudst) en de kaarsenfabriek ‘De Roubaix-Oedenkoven’ (den Bougie). Op deze oude stadsplattegrond staan ze beide aangeduid. Tevens heb ik de ‘Vuilbeek’ (waarin het water werd geloosd) en de ‘Herentalse Vaart’ (nu overwelfd Plantin-Moretuslei) aangeduid. (click to enlarge). De kaart dateert uit 1866. De blekerij is snel daarna verdwenen en den “Bougie” is gaan uitbreiden.

Anwerpen 1866

Hier een plattegrond van hetzelfde gebied (stadsplan voor de Wereldtentoonstelling 1894). U herkent nu gemakkelijk beide locaties. Leuk ook om de Oude Sint-Norbertus op de Dageraadplaats nog eens te zien. Inmiddels zijn de leien afgebroken en is de Middenstatie (en de Zoo) aangelegd.

Antwerpen 1894

De bekende (beruchtste) beschrijving van de milieuvervuiling (water, aarde, lucht) die daar plaatsvond door de kaarsvet-fabriek is te lezen in de roman ‘La nouvelle Carthage’ van Georges Eekhoud. Ik vond de passagein vertaling op de blog van Jan Lampo. Ook in de autobiografische roman van de zus van Isaac Bashevis Singer (die Antwerpen is blijven hangen, wonend in de Joodse armenwijk Zurenborg) wordt geregeld over de adembenemende stank (walm) gesproken. Het moet nogal wat geweest zijn.

Lampo schrijft: Het bedrijf van Eekhouds oom Oedenkoven stond aan de ’s Herenstraat, ten noorden van de Herentalse Vaart en de Plantin-en Moretuslei. Die laatste was toen nog een landweg; enkele jaren na de publicatie van de roman bouwde men aan de overkant de wijk Zurenborg. Aan de fabriek, die tot in de jaren vijftig bleef bestaan, wijdde Eekhoud enkele van de scherpste bladzijden in La Nouvelle Carthage:

“De geur van de fabriek bleef in Laurents neus hangen. Vooral de stank van de gracht die langs het immense fabrieksterrein liep. Daar werden de vette bezinksels en giftige zuren geloosd die bij de raffinage van het kaarsvet vrijkwamen. De smerige uitwasemingen vermengden zich tot een vette, zalfachtige geur, die Laurent tot in de gangen van het pensionaat achtervolgde, opdringerig als een vulgair deuntje dat hij niet uit zijn hoofd kon zetten. (…) De dag van Laurents afreis was de bedorven gracht ook de laatste om hem uitgeleide te doen. Ze volgde hem als een verloren, schurftige teef, die een armoedige voorbijganger naloopt.”

“(…) De mensen die in de nabijheid van de gracht woonden, waren arme stumpers, volkomen afhankelijk van de machtige fabriek. Onder elkaar morden ze wel, maar luidop hun beklag doen, durfden ze niet. Hun gelatenheid sterkte de patroons in het voornemen de hoge kosten die de overwelving van het riool zou meebrengen, uit te stellen. In de loop van die augustusmaand brak echter een cholera-epidemie uit die hen aan het denken zette.”

“Aangelokt en versterkt door de uitwasemingen van de gracht, hield de plaag in de omgeving van de fabriek heviger huis dan in eender welke andere wijk van de stad. De inwoners van het voorgeborchte stierven als vliegen. Hoewel de overlevenden vreesden dat openlijk protest hongersnood over hen zou brengen, meenden de Dobouziez’ dat ze de bevolking die zich in stilte tegen hen keerde, moesten paaien.”

Op 18 april 1893 was de zwaar vervuilende fabriek het decor voor een demonstratie die uit de hand liep. De confrontatie tussen stakers en gendarmes kostte vijf betogers het leven. De sociale onrust vloeide voort uit een afgewezen voorstel van de liberalen voor algemeen stemrecht. De veldslag maakte indruk: het parlement keurde het algemeen stemrecht tóch goed.

Tot 1956 stond deze kaarsenfabriek (de Roubaix-Oedenhoven – in de volksmond ‘Den Bougie’) in de Bleekhofstraat. Een zoveelste brand luidde het einde in.

Leave a Reply

Your email address will not be published.