De kloosterorde van de Augustijnen is eind 15de, begin 16de eeuw in volle transformatie in Noord-West Europa. Een deel wil ‘terug naar de bron’, d.w.z. een striktere naleving, ‘observantie’, van de oorspronkelijke regel. Zij botsen op de conventuelen, die in hun kloosters de gegroeide uitzonderingen en privilegies wilden bewaren. De Saksische congregatie (die zowel Nederlandse als Duitse gebieden omvatte) is in deze ‘observantie’ behoorlijk succesvol. Niet enkel discipline, maar ook persoonlijk spiritualiteit, en studie van de Bijbel worden op het voorplan geplaatst. Dat laatste ook op wetenschappelijk niveau. Wittenberg – met haar pas opgerichte universiteit – wordt het geprefereerde opleidingsinstituut van deze strekking. Nog voor er in Antwerpen een Augustijnerklooster is, is één van de toekomstige priores, Jacob Proost al in Wittenberg te vinden. Net als een van de belangrijkste priores in de Noordelijke Nederlanden: Johan van Mechelen. Voor de duidelijkheid: deze studeren eerst niet bij Luther, maar gelijktijdig met Luther. In 1511 wordt vanuit Enkhuizen door Johan van Mechelen het initiatief genomen om ook in Antwerpen een klooster te stichten. Ze hebben blijkbaar fans in de metropool, want ze krijgen al snel een stukje grond aan de Ridderstraat. Acht broeders ondertekenen de oprichtingsacte, onder wie ook een zekere Johannes de Essendiae (= Johannes van den Essen, een van de twee die in 1523 op de brandstapel belanden). De eenvoudige kerk wordt gewijd aan de ‘heilige drieëeenheid’. Ondanks verzet van het kapittel van de OLV-kerk (onder wiens schapen zij gaan weiden…), krijgen ze met steun van de wereldlijke overheid (o.a. Frans van der Hulst, in dienst van het hof in Mechelen, de latere inquisiteur) hun zin en kan in 1514 het klooster ook ‘officieel’ geopend worden.

Inmiddels is Luther professor bijbelse theologie in Wittenberg en is er levendig verkeer tussen de Nederlanden en Wittenberg. Ook Hendrik van Zutphen, in 1522 de opvolger van Proost in Antwerpen, was een student te Wittenberg. De ‘Saksische congregatie’ hield als het even kan een jaarlijks kapittel, en dan kwamen de priors onder leiding van de vicaris-generaal (i.c. Johann von Staupitz) samen, om te evauleren en plannen te maken voor de toekomst. Geen wonder dus dat de Antwerpse broeders ook in hun openbare erediensten de boodschap van het Evangelie verkondigden à la Luthérienne. En dat al lang voordat hij veroordeeld was (1521). Samen met de boekdrukkers om de hoek (Cammerstraat, Lombaardenvest), zorgden ze voor de beschikbaarheid van Luther’s vroege geschriften, en goed leesbare vertalingen in het Nederlands! Het werd hen in dank afgenomen door een groot deel van de Antwerpse bevolking (Luther joeg – zeker in de beginjaren – een frisse wind door de kerk, frisse lucht met een geur van vrijheid), maar na 1520 niet meer. De kerkelijke veroordeling van Luther baant de weg. keizerlijk inquisiteur (Frans vander Hulst) komt de pauselijke gezant Hieronymus Aleander helpen om het Edict van Worms (keizelijke bekrachtiging van de banbul van de paus) toe te passen: veroordeling van Luther, verbod op lezen, bezit etc. van zijn geschriften etcetera).

Van hogerhand komen er nu boekverbrandingen, arrestatiebevelen, schandpalen, herroepingen. Intimiderend moet het zijn geweest voor o.a. de Augustijnse broeders in Antwerpen, die – niet zonder grond – als de meest ijverige verkondigers van Luthers revolutionaire gedachten gekend waren. Prior Jacob wordt gearresteerd (Sinterklaas 1520) en heeft onder zware druk herroepen. Al snel is hij weer op z’n schreden teruggekeerd (hervallen) en gearresteerd, maar ontsnapt en naar Duitsland gevlucht. Hij werd predikant/reformator te Bremen.

Zijn opvolger, Hendrik van Zutphen, lijkt hetzelfde lot beschoren, maar wordt op 29 september 1522 door een menigte ‘Quade Wijffs‘ (boze vrouwen) bevrijd. Ze hadden zijn slinkse arrestatie gezien, en bestormden (met 300) het St. Michielsklooster waar hij was gevangengezet in afwachting van transport naar Brussel. De geliefde prediker werd bevrijd en kon ontkomen. [zie het verslag uit het Antwerpsch Chronykje]

Een reactie van de landvoogdes, Margaretha van Oostenrijk, kon niet uitblijven. Vanuit Mechelen, waar ze resideerde stuurde ze begin oktober de inquisiteur naar het klooster. Alle monniken werden afgevoerd naar de gevangenis in Vilvoorde (volgens diverse bronnen, o.a. het Antwerps Chronykje en Luther, kregen de Antwerpenaars onder monniken een berechting op eigen grond – volgens poorterrecht: bij de Beggaarden). Opnieuw was er protest. Een vrouw, Margriet Boonams – dat is nu nog eens met recht een ‘Dulle Griet’ – ventileerde haar ongenoegen luidop en probeerde opnieuw een volksopstand uit te lokken. Tevergeefs deze keer. Enkele dagen later werd ze zelf gearresteerd, en uit Antwerpen verbannen (naar Nicosia, de standaardstraf in Antwerpen, voor… ketters).

picture1
Afbeelding van het verslag dat vrij snel na de feiten verscheen in het Latijn en het Duits

De meeste monniken herriepen hun dwalingen en kwamen er dus met de schrik af. Niet allen keerden terug naar een van de overige kloosters (bijv. Dordrecht, waar Jan van Mechelen prior was). Van minsten één is een passage in Wittenberg bekend. Drie monniken weigerden echter te plooien, hoezeer men hen ook onder druk zette (nu eens met edik, dan weer met stroop, zoals Luther het zegt in zijn ballade). Twee stierven op de brandstapel (Brussel, 1 juli 1523. Zie hier voor meer info), de derde (Lambert van Thorn) bracht nog 5 jaar in de gevangenis door, alvorens – nog steeds volhardend in de ketterij – te sterven. Hij werd begraven ‘onder de galg’ nabij Brussel. Toen het bericht van de dood van de eerste twee, Hendrik Vos en Johannes vanden Essen, Luther ter ore kwam, schoot zijn gemoed vol en riep hij – volgens de overlevering – uit : ‘Ik meende dat ik de eerste zou zijn die om het heilige Evangelie gedood zou worden, maar ik ben het niet waard geweest!’

Maar al snel kreeg een ander gevoel de overhand: Dit was een getuigenis van de echtheid van het Evangelie ! Het toont aan dat we leven in de beslissende tijd, de eindtijd: erop of eronder. Hij kroop in de pen en schreef een troostbrief (“An die Christen ym Nidder land“), hieronder in verkorte vorm middels een ‘dynamisch-equivalente’ vertaling van mijn hand.1 De ballade waarin hij hun verhaal vertelt en hun sterven (eveneens) duidt als een eind-tijdelijk (eschatologisch) teken vindt u op mijn gewone website (link onderaan deze pagina).

MARTIN LUTHER, prediker te Wittenberg, aan alle geliefde broeders in Christus, die in Holland, Brabant en Vlaanderen zijn, en verder ook aan alle gelovigen in Christus: genade zij u en vrede van God onze Vader en onze Heer Jezus Christus.

Lof en dank zij aan God, de Vader van alle barmhartigheid, die in deze tijd zijn wonderbaar licht weer heeft ontstoken. Wij wandelden in het donker, dwaalden in de nacht van onze zonden. Wij dienden de antichrist. Maar nu “wordt het gekir van de tortelduif weer gehoord en bloeien de bloemen in ons land.” (Hooglied 2). Wij delen in deze vreugde samen met u, sterker nog: door u ! Want niet alleen hebt u het voorrecht gehad reeds vroeg het evangelie van Christus te leren kennen, u bent nu ook door God uitverkoren geweest om als eerste om Christus’ wil te mogen lijden, ja te mogen sterven voor Hem. Zo hebt u deze blijde tijding met uw eigen bloed bekrachtigd. Als twee edele sieraden van Christus zijn Hendrik en Johannes in Brussel gestorven. O, hoe verachtelijk zijn ze terechtgesteld maar hoe heerlijk zullen zij met Christus weerkomen en hen, door wie zij nu onrechtvaardig veroordeeld zijn, op hun beurt richten met gerechtigheid! 

Ach, wat doet het er toe door de wereld te worden gesmaad en gedood als je weet dat je bloed kostelijk is voor God, en je dood dierbaar in zijn ogen, zoals de Psalmen zingen. Wat een blijdschap zal er bij de engelen in de hemel zijn geweest toen zij op deze wijze stierven! Wat zal het vuur graag geholpen hebben om hen uit dit zondige leven te verlossen en hun zielen te promoveren tot het eeuwige leven. Echte heiligen en werkelijke martelaren zijn zij ! Wij hier (in Duitsland) zijn jaloers op jullie in de Nederlanden. Wij mochten dit offer nog niet voor Christus brengen.

Daarom, mijn zeer geliefden, weest getroost en verheugt u in Christus ! Laat ons God danken voor de wonderen die Hij onder ons doet. Het is duidelijk: Nu is het de tijd dat het rijk van God zichtbaar wordt, niet met woorden maar krachtdadig. Weest vrolijk in de verdrukking. Het duurt maar ‘een kleine tijd’, zegt de profeet. Laat ons dan ons hart vernieuwen en ons goedsmoeds voor de Heer laten slachtofferen. Onze Rechter is nabij. Hij zal richten in gerechtigheid.

Bidt dan voor ons, geliefde broeders, en bidt voor elkaar. Reikt elkaar de hand en laten wij ons eensgezind vasthouden aan ons Hoofd, Jezus Christus. Hij zal u met genade sterken tot eer van Zijn heilige Naam. Hem zij eer, en lof en dank bij u, en bij alle schepselen, tot in eeuwigheid. Amen. 


Lied

Luthers ontroering over en dankbaarheid voor de geloofskracht van de twee Nederlandse martelaren uitte zich niet alleen in briefvorm. Zoals W.J. Kooiman het uitdrukt, is ‘Luthers dichtvuur aan een brandstapel ontstoken.’ De geschiedenis van Vos en Van Essen leidde tot Luthers eerste lied: Ein neues lied wir heben an. Het is in de eerste Duitse kerkelijke Liedboeken opgenomen. In het Gesangbuchlein van Johann Walter (1525) staat ook een 4-stemmige zetting van dit lied. Dit lied diende tegelijk om de propaganda van de rooms-katholieken (‘Dankzij Maria hebben de twee jongen op de brandstapel op het allerlaatst hun dwalingen nog ingezien en zijn boetvaardig gestorven’) te counteren. Deze polemiek is in de laatste coupletten expliciet aanwezig.

[1] Een nieuwe lofzang heffen we aan
zo wil het God de Here.
Wij zingen wat Hij heeft gedaan,
zijn grote naam ter ere.
Te Brussel in Zuid-Nederland
heeft aan twee jongelingen
de Heer getoond zijn wond’re hand,
die met zijn zegeningen
Hij rijkelijk versierde.

[2] Johannes, rijk aan Gods gena,
bezat zijn naam met ere.
Zijn broeder Hendrik volgde na
het lijden van zijn Here.
Van d’aarde scheidend hebben zij
de hemelkroon verworven.
zijn als Gods kinderen vroom en blij
voor ‘s Heren woord gestorven
en martelaars geworden.

  1. Op een aparte pagina kunt u door het originele boekje bladeren (ex. Univ. Bibliotheek te Gent) en een deftige vertaling vinden.