Een selectie van archiefstukken, zoals getranscribeerd en gepubliceerd door Paul Frédéricq (en zijn studenten, leerlingen), opgenomen in deel IV van het Corpus documentorum inquisitionis haereticae pravitatis neerlandicae. [5 delen: Gent: J. Vuylsteke, 1889–1902]. NB: Ik heb een ruwe OCR versie van archive.org gebruikt, en enkel snellekens her en der wat gecorrigeerd. Dus check Frédéricq, of nog beter: het origineel, als u gaat citeren. Selectiecriterium hier is de link met Antwerpen. Dat begint met diverse waarschuwingen voor de Lutherse uitstraling van het Antwerpse augustijnenklooster, m.n. van Jacob Proost (Praepositus, Jacob van Ieper), en eindigt met de diverse berichten over de opheffing van het klooster en de verbranding van twee Antwerp Austin Friars. Tussengevoegd heb ik de in deel V (1902) gepubliceerde addenda (ingevoegd op jaartal: Frédéricq heeft doorgenummerd, maar ook het nummer uit deel IV vermeld, waarop ze normaal zouden hebben moeten volgen = chronologisch).

nr. 23: 1519, Mei 30, Leuven. Erasmus aan Luther over Probst preken.

Uittreksel uit een brief van Erasmus aan Luther over de Lutherse predikaties van de prior der Antwerpse augustijnen (Jacob Proost/Probst/Praepositus), een leerling (eerst : mede-student) was geweest in Wittenberg en die in Antwerpen ongeveer de enige is die het ware Christendom predikt. De rest is vooral bezig met ‘menselijke fabelen’ en gewin.

“Est Antwerpiae prior ejus monasterii, vir pure christianus, qui te unice deamat, tuus olim discipulus, ut praedicat. Is omnium pene solus Christum praedicat. Caeteri fere aut hominum fabulas aut suum quaestum praedicant.”

Vertaling (Robert Christman): “There is a man in Antwerp, prior of the monastery, a genuine Christian, who is most devoted to you and was once your pupil, or so he says. He is almost the only one who preaches Christ; the others, as a rule, preach the inventions of men or their own profit.”

Erasmus, Opera omnia, deel III, pars I, blz. 445.
[moderne editie: Desiderius Erasmus, Opus epistolarum Des. Erasmi Roterodami denuo recognitum et auctum, eds. Percy Stafford Allen and H. M. Allen, 12 vols (Oxford: Clarendon, 1906–1958), 3:607.]
Verdere stukken die Praepositus betreffen nrs. 54,55,60,62,64,66,67,68,70,71,90,92,98 en 117.

nr. 31: 1520, Januari  29, Mechelen. Landvoogdes Margaretha berispt de Raad van Brabant dat ze te laks is in het bestrijden van de ‘blasphémie’ die welig tiert in het hertogdom.

Brief der  landvoogdes Margaretha aan den Raad van Brabant over de nalatigheid der overheid in het  onderdrukken der godslasteraars. —  De Landvoogdes beklaagt zich, dat noch de Raad noch zijne ambtenaars het plakkaat tegen de godslasteraars uitvoeren, en dreigt tegen  de raadsheeren zelve strenge maatregelen te nemen, indien zij het plakkaat niet beter uitvoeren…

[…]


nr 36. Omstreeks 1520,  Antwerpen: Uittreksel uit Van Meteren’s Nederlandse Historie over de Antwerpse augustijnen en hun succesvolle prediking – uitbreiding van kerk. NB: de mededeling dateert niet uit 1520, maar pas uit 1608. Dus opgepast!

Ik neem deze bewust over, omdat ze heel vaak geciteerd wordt maar niet zomaar voor waar mag worden aangenomen. Van Meteren is helemaal geen tijdgenoot (hij is geboren 1535!). Hij is ook de enige en de eerste die de uitbreiding/uitbouw van de kerk vermeldt met gaanderijen vanwege de toeloop. [laat dit feit even bezinken]. Van Meteren heeft ook zekere sym- en antipathiën, en we zitten in volle godsdienstoorlog (12-jarig bestand). Over de Italiaanse kooplieden die de aflatenhandel hadden gepacht is verder ook niets bekend, dan wat Van Meteren hier schrijft. Dat is toch ook wel te denkengevend. De hele passage komt pas voor het eerst voor in de tweede druk (1608) van zijn Historie. Dus niet zomaar voor waar aannemen en overschrijven zoals iedereen doet (incl. Robert J. Christman in zijn verder heel mooie artikel uit 2022 over Luther’s first song).

[In de kantlijn: ‘Augustijnen Clooster t’Antwerpen verdestrueert, Anno 1522]

In dese tijden zijn veel geestelijke ende principalicken Augustijn Monicken, door de boecken ende schriften van Martijn Luther beweeght geweest, om te ondersoecken verscheyden Aarticulen,  daer sy dochten de Roomsche Kercke in gheabuseert was, principalick int stuck van de Aflaten, waer innc de giericheyt soo domineerde, dat die, die de aflaten ende bullen van Roomen geobtineert hadden van de Pausen, de profijten daer van ‘t Antwerpen deden verpachten, ende bevonden de Italiaensche Coeplieden diese pachten, dat die selvighe huerdcn alomme de beste ende welsprekenste Predicanten, om die als een Coopmanschappe wel te prijsen ende uyt te setten tot der Pachters meeste profijt.
Onder andere soo werden  de Monicken van ‘t Augustynen Clooster tot Antwerpen in dese aflaten seer geschandaliseert, ende preeckten seer daer teghen, met soo grooten toeloop des volcks, dat de Kercke, nu S. Andries Prochie-kercke, de menichte niet houden conde, soo dat sy moesten gaelderyen om hooghe maken, om het volck op te staen en te  sitten: maer uyt crachte van voorighe Placcaten, gheexecuteert by mijn Vrouw Margareta van Oostenrijck Regente, wert het Augustijnen Clooster verdestrueert, Anno 1522 in October, de Monicken alle verjaeght, gevanghen, ende tot veel verscheyden plaetsen als Lutherianen ende ketters verbrant, ende de Kercke worde tot een Prochie-kercke gemaect ende verandert, ende sint is die nieu vertimmert.

Emanuel van Meteren, Nederlandse Historie. FULL TITLE: Commentarien ofte memorien van-den Nederlandtschen staet, handel, oorloghen ende Gheschiedenissen van onsen tyden, etc.. (Antwerpen, 1608) NB: Het boek is pas in 1610 op de markt gekomen.
– De passage over de Augustijnen en hun kerk staat op fol. 10 verso [die is hierboven overgetypt]
– Latere drukken (vanaf 1614) op fol 12 verso / 13 recto. Zie hieronder de afbeelding. De tekst is hetzelfde – afgezien van spellingsvariaties; de toelichting in de kantlijn iets uitgebreider.


NB: de opmerking over het klooster stond niet in de eerste druk van dit boek uit 1599, getiteld Belgische ofte Nederlantsche historie, van onsen tijden.


nr. 42: 1521, Maart 20, Mechelen. Eerste plakkaat van keizer Karel tegen Luther’s leerstelsels en boeken in de Nederlanden.

Als gevolg der pauselijke bul en der veroordeelingen van de hoogescholen van Leuven en Keulen en op ‘s Pausen verzoek wordt aan de overheid bevolen alle boeken en geschriften van Luther en van zijne aanhangers aan te slaan en met trompetgeschal in ‘t openbaar tot asch te laten verbranden, met verbod aan eenieder er in ‘t vervolg nog dergelijke te drukken, te verkoopen, te koopen, te bezitten of te lezen, op straf van verbeurdverklaring dier boeken en van eene willekeurige geldboete, waarvan de twee derden voor den Keizer en een derde voor den aanklager voorbehouden zullen blijven.

(Touchant Martin Luthere). — Depar l’Empereur.

A noz amez et feaulx les president et gens de nostre Chambre de Conseil en Flandres salut et dilection.

Comme nostre saint pere le pape et le saint siege apostolicque nous ayent presentement fait monstrer et exhiber certaine bulle et sentence diffinitive par laquelle et aussi par les decretz et déclarations des facultez de theologie des universitez de Louvain et Coulongne pluseurs heresies, erreurs, faulses et scandaleuses opinions contraires ä la ste foy catholicque, controuvées escriptes et mises en avant par ung nommé Martin Luthere, religieulx de l’ordre saint Augustin; lesquelles hérésies, erreurs et faulses opinions, se on les permectoit continuer, augmenter et accroistre, pourroient causer et engendrer, comme desia ont fait, pluseurs grave esclandre; pour ausquelz troubles et erreurs entre les peuples et personnes obvier, et entretenir le peuple chrestien en la vraye foy, Institution et doctrine de nostre mere saincte eglise, en laquelle il a persévéré jusques ores, nostre saint pere et saint siege apostolicque ayent par lad. bulle et sentenee condampné les livres et escriptz dud. Luthere; mesmes es points et articles faisans mention du sacramant de baptesme, des trois parties de confession, de leffect de contricion et penitence, de la maniere et qualite de la confession et absolution tant de celui qui la recoit comme de celui qui la donne ou peult donner, du sacramant de penitence et de la remission des pöchiez, des indulgences et pardons et du fruit diceulx, des excommunications, censures et autres peines ecclesiasti- ques, de la puissance du pape, vicaire de Dieu en terre et du saint siege apostolicque et de toute l’eglise en géneral, des articles desia reprouvez et condempnez par le consille de Constanz contre ung nomme Jehan Huyss, ses adherens et complices; aussi quo Ion ne doit grever ou offenser les personnes des Turcs et hereticques, et pluscurs autres points et articles plus aplain contenuz et declairez en la bulle de lad. sentence; laquelle nostred. saint pere par son ambassadeur quil nous a envoye, nous a fait presenter, notiffyer et insinuer, requerant que selon le contenu dicelle voullons prohiber et reiecter lesd. livres, sermons et escriptz dud. Luthere et de tous ses ensuivans et adherens et les faire brusler et annichiler par tout nostre conte et pays de Flandres, et par tous autres noz pays et seigneuries deffendre a tous noz subgectz de nosd. pays et seigneuries de vendre, achapter ou aucunement user diceulx.
Pour ce est-il que nous, ces choses considerees et apres avoir fait visiter et examiner lad. bulle et sentence par bons et notables personnaiges, doctz, eruditz et esprouvez; et que a cause de nostre empire sommes le principal deffenseur et advocat de l’eglise universelle; aussi que nostre intention est de nullement permettre telz ou semblables scismatiques et hereticques ne leurs livres ou damnables opinions estre soustenuz en nostred. conte et pays de Flandres ny aillcurs en nosd. pays et seigneuries.
Vous mandons et commectons par ces presentes, que incontinent et sans delay saississez, prenez et recouvrez en voz naains tous les livres, registres, manuelz et escripz, faiz et composez par led. Luthere ou ses adherens, quelque part que les pourrez trouver aud. Flandres, et les bruslez et faictes brusler et annichiler publicquement et a son de trompe devant les bretesques, halles et autres lieux ou semblables actes se doivent et sont accoustumez de faire, tant qu’ils soyent aboliz et mis en cendres comme faulx, dampnables et hereticques.
En faisant en oultre expres commandement, prohibitions et deffense de par nous que nul qui que ce soit par nostred. pays de Flandres ne savanche de doresenavant imprimer, vendre, achapter, garder ou lire aucuns desd. livres ou d’autres depuis faiz et publiez pour la corroboration diceulx, ou qui pourroient avoir ou contenir aucune derision ou diffamation de la personne et estat de nostred. saint pere, le saint siege apostolicque ou d’autres, universitez colliéges ou personnaiges impugnans ou confondans les maulvaises et damnables opinions dud. Luthere et de ses adherens et complices, sur payne de confiscation desd. livres et autre peine arbitraire a applicquer, assavoir les deux tiers à nous et le iij° au denonciateur.
Car ainsi nous plaist il, et de ce faire vous donnons plein povoir, authorité et mandement espécial. Mandons et commandons a tous autres nos justiciers, officiers et subgectz de nostred. conte de Flandres, que en ce faisant ilz obeissent et entendent deligement.

Donne en nostre ville de Malines, le XXe jour de mars, lan de grace mil cinq cens et vingt. Et de noz regnes, assavoir de ceulx des Rommains et de Hongrie, le second, et des Espaignes, etc., le dixieme.

Origineel berustende op het Prov. Staatsarchief te Gent, Reg. Correspondance du Conseil de Flandre, deel VII, fol. 15. Op de rug staan de volgende latere opschriften van drie verschillende banden : 1520. Contra libros Lutheri Inquisitio et placata. — Touchant les sectes. — Le premier édict sur le faict de la Lutherie en lan 1521 22 Martii.

Nr. 46: 1521, Mei 8, Worms. edict van keizer Karel tegen Luther c.s., gericht tot alle ambtenaars en onderdanen van zijn verschillende landen.

NB: Dit edict werd pas op 26 Mei door de Keizer ondertekend, maar was reeds op 8 mei gereed.
Samenvatting Frédéricq: De Keizer verklaart, dat het de plicht is van een Roomse keizer niet alleen in het keizerrijk, maar ook in de andere landen hem onderworpen alle ketterijen te keer te gaan, hetgeen ook zijne voorgangers zoo van vaders- als van moederszijde altijd gedaan hebben. — Reeds drie jaren lang hebben de ketterijen zich in Duitsland {Germania) verspreid. Men weet, dat Martinus Luther daar voornamelijk de hand in heeft. De Paus heeft Luther te vergeefs vermaand en naar Rome gedaagd en eindelijk hem en zijne boeken in een plechtige bul veroordeeld. Nadat de Paus aan den Keizer had laten vragen die bul in zijn rijk te laten naleven, werd zij afgekondigd niet alleen te Leuven, maar ook te Keulen, Mainz, Trier en Luik. Verder worden de leerstelsels van Luther opgesomd, en verhaalt de Keizer wat er met Luther gebeurd is op den Rijksdag te Worms.
Na deze lange inleiding verklaart de Keizer, dat hij met raad en toestemming der keurvorsten en andere prinsen, orden en standen van het Roomse Rijk het volgende edict (ad perpetuam memo- riam) uitvaardigt. Overeenkomstig met de bul van paus Leo X, wil hij Luther voor een ketter gehouden hebben: dienvolgens wordt verboden in alle landen aan den Keizer onderworpen, op straf van de keizerlijke ban, Luther in woorden of in werken te beschermen, en integendeel bevolen onder belofte van beloning hem aan te houden en uit te leveren om hem naar verdienste te doen straffen. Zijn aanhangers zullen insgelijks in den rijksban geslagen en al hun goederen verbeurd verklaard worden. Op dezelfde straffen is het verboden Lutherse of andere ketterse boeken of geschriften, in welke taal ook opgesteld, te bezitten, te kopen, te verkopen, te lezen, te verdedigen of te drukken. Overal waar men die zal kunnen vinden, zullen zij in het openbaar verbrand worden. Daartoe zal men aan de pauselijke legaten of aan hunne plaatsvervangers al de nodige hulp verlenen, of zo dezen niet aanwezig zijn, zelf in hunne plaats optre- den ; dit alles op de voormelde straf van keizerlijke ban en verbeurdverklaring der goederen. Op die straf is het ook verboden boeken, schilderijen, beiden of tekeningen, die den paus, de geestelijke of wereldlijke overheden en de katholieke hogescholen beschimpen of tegenstrijdig zijn met de goede zeden, te maken, te drukken, te kopen, te verkopen of te bezitten. Die voorwer- pen zullen insgelijks in het openbaar verbrand worden. Alle Schriften handelende over godsdienstzaken moeten, vooraleer gedrukt te mogen worden, daartoe de goedkeuring verworven hebben van de geestelijke overheid der plaats en van de naastgelegene godgeleerde Faculteit. Alle andere boeken of tekeningen moeten insgelijks de goedkeuring der geestelijke overheid bekomen. AI degenen, die aan dit tegenwoordig edict, waaraan kracht van wet gegeven wordt, ongehoorzaam zouden zijn, zullen schuldig erkend worden aan majesteitsschennis, in den keizerlijke ban geslagen en door al de bovengemelde straffen getroffen worden.

Carolus quintus, divina favente clementia electus Romanorum imperator semper augustus, ac Germaniae, Hispaniarum, utriusque Siciliae, Hierusalem, Hungariae, Dalmatiae, Croatiae, etc. rex; archidux etc….

De tekst is gemakkelijk online te vinden.


nr. 50: 1521, Juni (8-29), Antwerpen. Aantekening van Albrecht Dürer, over uitwisseling geschenken met Cornelius Grapheus

“Mir schenkte Cornelius, der secretär, Luther’s Babylonische Gefängniss; dagegen schenkte ich ihm meine 3 grossen Bücher.”

M. Thausing, Dürers Briefe, Tagebücher und Keime (1872), blz. 129.
Over Grapheüs (Corneel de Schrijver, stadssecretaris van Antwerpen) die zelf slachtoffer van de vervolgingen werd in 1522 , zie nrs. 65, 84-86, 109, 110, enz.


nr. 51: 1521, Juli 13. – Antwerpen. Uittreksel uit Bertrijn’s Chronijck der stad Antwerpen over het verbranden van Luther’s boeken door den beul.

“Anno 1521. Den 13 Julij werden tot Antwerpen verbrant bij den scerp rechter de boecken van heer doctor Martinus Luther, broeder van de Augustijnsorden, ende dat door bevel des keysers.”

COMMENTAAR FRÉDÉRICQ: vooral interessant vanwege de vermelding van de 4 Luthervertalingen die in Antwerpen verschenen zijn.

“Chronijck der stadt Antwerpen van notaris Geeraard Bertrijn, blz. 71. Schier gelijkluidend bericht in de Chronycke van Antwerpen, blz. 17 en in ‘t Antwerpsch Chronykje, blz. 18. — De bibliotheek der Gentsche Hoogeschool bevat vier gelijktijdige drukjes van Nederlandsche vertalingen van Luther’s geschritten : Die seuen Penitenciepsalmen, 1520. — Een notabel boecxchen vol vruchtbaer leeringen om kerstelijck te leven, 1520. — Een schoon onderwisinge hoe een kersten mensche warachteliken aflaet verdienen mach, 1520. — Een schoon troostelijc ende vruchtbaer boecxken (Tessaradecas), 1521. — Alle vier zijn te Antwerpen bij Nic. de Grave gedrukt. Slechts deze vier exemplaren van deze uitgaven schijnen tot ons gekomen te zijn, wellicht uit de nalatenschap van eenen inquisiteur; de geloofsrechters alleen mochten dergelijke kettersche werken in hun bezit hebben en te hunnen bate moest de beul bij ‘t verbranden der veroordeelde boeken enkele exemplaren ter zijde leggen. (Zie Bibliotheca Belgica.)


nr. 53 (9) (vol V, nr 770). – 1521, 18 September. brief aan Aleander over Jacob Proost.

Uittreksel uit een brief van de vice-kanselier uit Florence aan de pauselijke nuntius Aleander, waarin  aangedrongen wordt op een strenge bestraffing van de prior van de Antwerpse Augustijnen, Jacob Proost.

Ex  Florentia,  18. Septembris mdxxi.

Quel maladicto Lutherano priore di Augustiniani,  che e tornato a predicare in Anversa,  fate  opera con Cesare et col reverendo  padre  confessor  et con tutti  li boni voi et il nuntio,  che  sii  gastigato,  se puncto  contraviene  allo edicto,  altrimenti  se Sua Maestä in cosa tanto  sancta  et  importante  non si fa ubbidire et in presentia  sua, che  se farä  in l’altre?     

Archief van het Vatikaan te Rome, Nuntiat. German. L, 89;
afgedrukt bij Balan, Monumenta, blz. 292.


nr. 53  (10) (vol. V, nr. 771). – 1521, 27 September 27. 

Uittreksel uit een brief van de vice-kanselier aan Aleander over maatregelen te nemen tegen ‘de goeden vriend’  (Erasmus) en  de Antwerpse prior (een ‘schurk’ wordt die genoemd).  Tegen dezen laatste  moet zeer  omzichtig en  zonder schandaal gehandeld worden.

….   Circa lo amico, che scrivete che tanto  noce occultamente, bisogna per addesso  mostrare   di  non  vedere  et  accettare   per  buono quello  se  vi  ha detto et promesso piü volte a parole. Quanto a quel ribaldo priore, che e tornato  in Antwersa, vedete  se senza scandalo si potesse gastigare, altramente dissimulate per hora et sopra tutto si usi ogni remedio per  redurlo  a perfetta  sanitä.  Voi sete in fatto et conoscete quello  che  per  hora  sia expediente.  Non e hora  da  tentar   cosa alcuna, che possa far scandalo, acciö non nascesse qualche maggior inconveniente….

Plorentiae,  xxvii Sept. mdxxi.

Archief van het Vatikaan te Rome, Nuntiat.  German. L, 91;
afgedrukt bij Balan, Monumenta, blz. 292-293.


nr. 54: 1521, December 6. Brussel. Inquisitoriale volmacht aan Nicolaas van Egmond en Jacobus Masson (Latomus) voor onderzoek Probst c.s.

Inquisitoriale volmacht door Robertus van Croy, bisschop van Kamerijk, aan de inquisiteurs Nicolaas van Egmond en Jacobus Masson (Latomus) verleend, om een onderzoek in te stellen over het leven en de leerstelsels van den gevangengenomen Jacobus Praepositus (Probst, Proost), prior der Antwerpsche augustijnen. Deze werd bij de bisschop en de keizer aan geklaagd als zijnde een aanhanger van den ketter Luther, wiens dwaalleer hij in zijn sermoenen en gesprekken aan tafel op veel plaatsen verkondigd heeft. De inquisiteurs zullen hem ondervragen en hem met al zijn aanhangers, geestelijken of leken, naar de gebruikelijke regeis der Inquisitie vervolgen, gemandateerd door de bisschop.

[Robertus de Croy, Cameracensis episcopus, mandat anno 1521. Eximiis viris D. D. Nicoiao Egmondano et Jacobo Latomo, sanctae theologiae doctoribus Lovaniensibus fideique inquisitoribus, ut inquirant in mores et doctrinam fratris Jacobi Prepositi, prioris conventus fratrum Augustinianorum Antverpiae, qui plures haereses Lutheranas docuerat. Diercxsens.]

Robertus de Croy, Dei et apostolicae sedis gratia administrator ecclesiae et dux Cameracensis, etc., venerandis patribus nobis in Christo dilectis d[ominis] Nicolao de Egmunda et Jacobo Latomo, sacrae paginae professoribus, salutem in Domino et in commissis fideliter agere.
De vestris circumspectione, fidelitate et orthodoxae fidei zelo in Domino ad plenum confidentes, vobis harum serie conjunctim vel divisim committendum duximus et committimus, quatenus, evocato coram vobis f[ratre] Jacobo Praepositi, priore monasterii ordinis f[ratrumj heremitarum S. Augustini, oppidi Antverpiensis, nostrae dioccesis, de haeresi, ut fertur, suspecto et ut tali apud serenissimum dominum nostrum imperatorem et nos aecusato, pro eo quod sectam haereticam fratris Martini Lutheri ejusdem ordinis, per sanctissimum dominum nostrum papam illiusve praedecessorom ac ecclesiam, ut asseritur, damnatam, approbando, plures articulos in dieto oppido Antverpiensi palam praedicare ac in diversis locis, etiam in mensis tarn suis propriis quam aliorum affirmare, atque homines ad concedendum suae opinioni inducere et persuadere non est veritus, populum a via recta veritatis et sanctae eeclesiae dogmatibus errare faciendo et praeterea prisonnario constituto, ipsum fratrem Jaeobum Praepositi et super articulis praetactis et aliis quibuscumque articulis erroneis juxta vestram discretionem sibi ad memoriam reductis et declaratis, diligenter examinetis.
Et si illos erroneos in ecclesiam Dei et sanetum illius dogma tendere inveneritis, contra eum et quoscumque alios tam religiosos et ecclesiasticos quam laicos nobis subditos, dietam sectam doctrinantes aut sectam profitentes, affirmantes et praedicantes, et quemlibet eorum, inquisitione facta, auctoritate nostra juxta formam juris et canonicas sanctiones, ad ipsius et aliorum praedictorum, secundum exigentiam casuum suorum, ad condemnationem, correctionem, punitionem rite procedatis, aliaque omnia et singula, quae in hujusmodi inquisitionis negotio neecssaria fuerint, faciatis et exequamini. Ad quod nostras vices plenarias vobis committimus ac facultatem et auctoritatem impertimus. In cujus fidem et testimonium sigillum majus curiae nostrae praesentibus litteris duximus appendendum.

Datum et actum Bruxellao, dietae nostrae dioecesis, anno millesimo quingentesimo vigesimo primo, mensis Decembris die sexta.

Koninklijke Bibliotheek te Brussel, Handschrift nr 16315, fol. 33d en verso;
reeds afgedrukt bij Diercxsens, Antverpia, deel III, blz. 347-349.

COMMENTAAR Frédéricq — Het bisdom Kamerijk strekte zich over den rechteroever der Schelde uit, zoodat Antwerpen er in gelegen was. — In de Latijnsche stukken van den tijd wordt de Antwerpschc prior altijd Jacobus Praepositi (en niet Praepositus) genoemd. Dat latere schrijvers hem Spreng hebben geheeten, komt waarschijnlijk uit eene verkeerde lezing voort, voor Iprensis, d. i. geboortig van Ieperen in Viaanderen. (Zie Janssen, Jacobus Praepositus, blz. 229.) In eenen brief over den dood van Hendrik van Zutphen, door hem aan Luther geschreven (1525), heet hij Jacobus von Hypern.


nr. 55: Einde 1521, (Brussel). Brief van Jacob Praepositus aan zijn vriend Caspar, over de vervolgingen, die hij te lijden heeft.

Exemplar epistole, quam scripsit insignis et vere christianus theologus f. Jacobus ordinis Augustini Antverpie in carcere.
F. Jacobus pauper servus Christi Caspari S.
Jhesus.

Gratia et pax Deo patre et domino nostro Jhesu Christo sit tibi, amantissime Caspar, simul cum Thoma tuo, quem, licet von(?) viderim, ex relatu tuo hominem in Christo mirum in modum diligo, amen.
Gratias ago Deo meo, quod me dignatus est eligere ad tribulationes ferendas pro eo ac suo nomine ac evangelio per me predicato. Nonne Paulus noster dixit, quod omnes, qui pie volunt vivere in Christo, persecutionem patientur? Nonne Dominus ipse dixit: “Si me persequuti sunt, et vos persequuntur? Coelum et terra transibunt, verba autem mea non transibunt.” Benedictus ergo Deus, qui me inutilem servum suum flagellis erudire vult. Multa predicavi de fide et spe habenda in Christo; vult nunc Christus, ut experiar quae docui. In Christo ergo speravi, non confundar in aeternum, in Domino confido nostro. Dicat anime mee ut mutem locum meum. Gratias habeo preterea tibi, in Christo frater charissime, quod memor sis mei ac sollicitus de salute mea, imo de causa Christi; reddat tibi Dominus vicissitudinem hanc; ipse est enim, qui cor tuum illustravit, ac ut verbum eius amantes (?) erudivit. Ipsi ergo pro me agas gratias, eumque te rogo laudes et benedicas in secula seculorum.
Ceterum de statu meo non possum te reddere certiorem; iam quae in me futura sint exempla, penitus ignoro. Expecto donec veniat, qui me convincat, aut qui me accuset. Vale cum fratere tuo Thoma et nostro in Christo Jhesu felicissime. Amen.

[Lege et intellige nuncius Christi.] (= toevoeging van G. Geldenhauer)

G. Geldenhauer, Collectaneën (Geldenhauer was secretaris van de bisschop van Utrecht, maar blijkbaar goed geïnformeerd over wat er in Anwerpen gebeurde)
afgedrukt bij K. en W. Krafft, Briefe und Documente aus der Zeit der Reformation im 16. Jahr-hundert, blz.59.


nr. 59: 1521-1522, onkosten van den inquisiteur Nicolaas van Egmond c.s. : onderzoek Jacob Proost/Praepositus.

Antwerpen,  Oudenaarde en Leuven. Uittreksel uit een rekening over de reis- en andere kosten van den inquisi teur Nicolaas van Egmond met zijn helper in de vervolging tegen Jacob Praepositus (Proost), prior der Antwerpse augustijnen. De Landvoogdes en de Geheime Raad hadden hem gelast met een onderzoek over de sermoenen van den prior; de kettermeester vertoefde te Antwerpen, ging naar Oudenaarde, waar hij zes dagen verbleef, om verslag te doen aan den Keizer, en keerde naar Leuven terug.

A maistre Nicolas d’Egmont, carmélite et docteur en théologie, lequel tut envoyé par Madame et Messeigneurs du Conseil Privé, et ledit maistre Antonie [de Waudripont], par ensemble pour prendre Information des prédications du prieur des Augustins dudit Anvers, pour le chariage et despence de bouche de luy et de son serviteur, depuis ledit Anvers jusques à Audenarde,. où ilz allerent devers lempereur faire leur rapport, et aussi despens de bouche, feu et logis par lespace de six jours entiers qu’il y séjourna, la somme de dix livres, pour ce icy, x livres.
Item pour ses vacations et retour dudit Audenairde a Louvain, la somme de vingt livres, quee par ordonnance de Messeigneurs des finances luy a oste delivré comptant, comme appert par quietance; pource icy xx Ib.

Rijksarchief te Brussel, Chambre des Comptes, nr 19783, (Compte d’Antoine de Waudripont, Conrad de Maeyre, Jean vander Eycken et Henri de Hane, des biens des Français confisqués en 1521), fol. 13 en verso; gedeeltelijk aangehaald door Henne, deel IV, blz. 305, noot 2.


nr. 61: 1522, Januari 2, Antwerpen en Brussel. Brief over gevangname Proost en poging tot bevrijding.

Uittreksel uit een brief van Hans von der Planitz aan Frederik, hertog van Saksen, over het gevangen nemen te Antwerpen en overbrengen naar Brüssel van Jacob Praepositus. — Wanneer men hem wegvoerde, wilde het volk hem verlossen, doch Praepositus zelf belette dit.

E.C. gebe ich in vndthkt. auch zw erkennen, das ke. maj. den prior zw Antorff hatt annemen und gegen Prussel furen lassen, darumb das er wider den babst und seyenen gesecz, geprediget vnd die ewangelische lehr vorkondigett hatt. Als yn der pott hatt auss der statt füren wollen, yst die gemeyn auffgewest, ym sulchs mit gewallt zw weren; darfor der prior sie gebeten, sie solten seyn gefengknus vnd den willen Gotts nicht hyndern; darauff ist ehr gegen Prussel gefurtt; was man aber mit ym bisher do selbst gehandeltt, yst hie noch nicht ruchtbar.

K. en W. Krafft, Briefe und Documente aus der Zeit der Reformation im 16. Jahrhundert, blz. 42.


nr. 63. 1522, Januari 19, Antwerpen en Brüssel. uit een brief van L. Vives aan Erasmus over het overbrengen van Praepositus uit Antwerpen naar Brussel.

Est Augustinianus quidam tractus por hosce dies ex Antverpia Bruxellam in ius, eo convolarunt (grieks:) ‘ho choolos kai ho kamylos’. Istos audio criminose quibusdam conviciis loquutos esse de te, quod iam faciebant, antequam Lutherus nasceretur.

R. en W. Krafft, Briefe und Documente aus der Zeit der Reformation im 16. Jahrhundert, blz. 42.

nr. 64. 1522, Februari 5, Antwerpen. over arrest en wegvoering naar Brussel van Cornelis Grapheus en meester Roeland van Berchem

Uittreksel uit van Kessel’s Annales Antverpienses over de aanhouding en het vervoeren naar Brussel van. —    Deze laatste, door Jan Glapion, biechtvader des Keizers, onderzocht, werd losgelaten.

5 Februari. Wirden van wegens den Keyser van hier eenige naer Brüssel ontboden, waeronder was Cornelius Graplheus, secretaris deser stadt, ende meester Roelant van Berchem, die aldaer gevangen wirden gesedt, geaccuseert van kettereye van Luther. Dan van Berehem geexamineert synde door den eerw. pater Jan Glapier, biechtvader van den Keyser, wirt toegelaten.

Annales Antverpienses van de secretaris van Kessel, aangehaald bij Génard, Antwerpsch Archievenblad, deel VII, blz. 120 noot.


Nr. 82: 1522, Mei 6, Antwerpen: verbranding ketterse boeken (excellente Cronike)

Uittreksel uit Die excellente cronike van Vlaenderen (1531) over de verbranding van Luthersche boeken aldaar tijdens een bezoek van den Keizer.

“Anno xvc xxij, inden Meye, quam die keyser Tantwerpen ende dede daer verbarnen alle Luthers boecken, die men crijghen conste. “

Die excellente cronike van Vlaenderen, Bijvoegsel, fol. 13 verso. Schier gelijkluidend bericht in Bertrijn’s Chronijch, blz. 73. — Reeds op 23 Juli 1521 was te Antwerpen een eerste verbranding van Luthersche boeken geschied.

Nr. 83: 1522, Mei 6, Antwerpen. herroeping Grapheus (chronycke van Antwerpen)

Uittreksel uit de Chronycke van Antwerpen (16 de eeuw) over de herroeping van Cornelius Grapheus te Antwerpen en het verbranden van Luthersche boeken.

Anno 1522, den 6 Meye, wirden verbrant Luyters boecken; ende meester Cornelius Grapheus, secretaris van Antwerpen, die hem metter saecken gemoeyt hadde, stont openbaerlyck in Onser Liever Vrouwen kercke op het occhael, ende wederriep daer alle tgene, dat hy geseyt hadde off gemoeyt hadde van Luyters saecken.

Chronyche van Antwerpen, blz. 19
— Gelijkluidend bericht in ‘Antwerpsch Chronykje, blz. 20, en Bertrijn’s Chronijck, blz. 73

Nr 84: 1522, Mei 6, Antwerpen. Exra info over Grapheus’ herroeping uit Annales ..

Uittreksel uit van Kessel’s Annales Antverpienses over de herroeping van Grapheus en van de schoolmeester Pieter in de Roode Schotel op de Groote Markt te Brüssel; en over Grapheus’ herroeping te Antwerpen in de O.L.Vrouwekerk, waarna hij gebannen werd en veroordeeld tot het dragen van een getekend kleed.

1522.

Alsoo den voornoemdlen Grapheus met meester Pieter in de Roode Schotel, schoolmeester, tot Brussel geconvineeert waren van ketterye, soo hebben deselve publickelyck opde Merckt van Brussel moeten herroepen, alwaer Grapheus zelve heeft moeten verbranden eenen brief by hem geschreven. Van waer, 6 Mey, tAntwerpen gebrocht synde, soo heeft op doxael vande groote kercke wederom syne ketterye moeten herroepen, ter presentie van dinquisiteurs, Meestere N. de Egmundia, Meestere Francisco de Hulst, raet in Brabant, ende Florens Oom vanden Weyngaert, van Hollant; ende vandaer wirt Grapheus met de officiers geleyt naer thuis vanden Marcgraeve heer Nicolaus van Lyere, ende wirt aldaer voor altyd gebannen ende te moeten draegen een cleet van voor en achter geteekend.

Annales Antverpienses van den secretaris van Kessel;
aangehaald bij Génard, Antwerpsch Archievenblad, deel VII, blz. 126 en 127, noot.

Nr. 85: 1522, Mei 6, Antwerpen. Diercxsens over Grapheüs.

Uittreksel uit Diercxsens’ Antverpia over de herroeping van Grapheus te Antwerpen. Die herroeping gebeurde in de OLV Kerk voor N. van Egmond, Vander Hülst en Fl. Oem. Daarna werd Grapheus in het huis van den markgraaf N. van Liere gebracht, waar men hem zijn vonnis bekend maakte; hij werd veroordeeld tot eeuwigdurende ballingschap en het dragen van een bijzonder kleed, kenteeken der ketters. Plus de opmerking van Papebrochius dat hij nadien weer in ambt en functie is hersteld

Hic (Grapheus) autem opinionibus Lutheranis implicitus comparuit, et brevi convictus, dein melius instructus consensit in publicam revocationem, quam et fecit in ecclesia B. Mariae ex odeo, vi May, retractans quidquid in favorem haeresis potuisset dixisse aut fecisse. Ita Papebrochius, Annal MSS. ex Caukerkio, qui addit ex secretario Valkenisse retraetationem hanc faetam esse coram inquisitoribus Mag. N. de Egmunda, Mag. Francisco de Hulsto Brabantiae cancellario et Florentio Oom vanden Wyngaert Hollando; Grapheum autem post eum actum a ministris justitiae deduetum fuisse in domum Marcgravii D. Nicolai de Lyere, ubi aceperit sententiam perpetui exillii a civitate cum mandato semper gestandi assutum vesti suae ante et post frustum grisei panni, notam haereseos convictae. Addit autem Papebrochius : Sed eam notam egregie purgavit, auxilio consulis Urselii, non solum civitati, sed etiam officio restitutus, ut infra videbimus. Ita Papebrochius 1.

J. C. Diercxsens, Antverpia Christo nascens et crescens, deel II, pars I, blz. 164 (1ste uitg. 1747-63) en deel III, blz. 365 (2de uitg. van 1773).


Nr. 91: 1522, Augustus 8, Gent. Brief aan Landvoogdes i.v.m. de kloosters van de Augustijner Eremieten. Losweken uit invloed van de Duitse orde.

Brief van den magistraat aan de landvoogdes Margaretha over maatregelen genomen tot voorkoming van de verbreiding der Lutherse ketterijen in de zeven Nederlandse augustijnenkloosters. — Om die kloosters aan de verderfelijke invloed van de Duitse vicaris der orde (Jan van Staupitz) te onttrekken, werd besloten te Dordrecht een Nederlandse vicaris te doen kiezen. De afgevaardigden der kloosters van Gent, Edingen (Enghien), Dordrecht en Haarlem kozen daartoe eenparig Jan van Mechelen, prior van Dordrecht; maar de afgevaardigden der kloosters van Antwerpen, Enkhuizen en Keulen weigerden aan deze verkiezing deel te nemen.

Ma tres redoubtee dame, en si grande humilité et revérence que faire pouons, en voz bonnes graces supplions estre recommandez.
Madame, Nous espérons vos haulteurs avoir en bonne memoire comment pour laugmentacion du divin service et de la relligion cristienne et pour extirper lerreur et hérésie de Martinus Luther de ses pays dembas de lempereur nostre sire, et mesmement des cloistres de la réformacion de lordre de St Augustin estans en nombre de sept couvents, lesquelz estoient suspectz dud. erreur de Martinus Luther, à cause que lesd. couvents estoient dessoubz lobédience du vicaire dAllemaigne, que dud. erreur estoit pareillement diffamé et suspect, et affin que le couvent des Augustins de cette ville et des aultres couvents dessusd. feussent continuoz dessoubz ladicte réformacion, en laquelle ilz ont propose de venir sans que de cy en avant ilz feussent subgeetz aud. vicaire dAllemaigne, vous a pleu a nostre instante requeste, priere et poursuite ou nom de lempereur nostred. sire et comme régente et gouvernante de escripre et Commander ausd. sept couvents de envoyer leurs députez et commissaires en la ville de Dordrecht en Hollande pour y procéder le dimenche apres le jour de la Magdelaine dernier passé à lélection dung prélat, qui seroit vicaire et superieur desd. sept couvents non subgect aud. vicaire dAllemaigne, promestant led. vicaire ainsi par eulx esleu faire confirmer par nostre S. Pere le pape.
Et pour ce, ma tres redoubtée, que lesd. des sept couvents en obtemperant ä voz lettres et commandements ont envoyé leurs deputez et commissaires aud. jour en ladicte ville de Dordrecht et procédé à lélection dud. vicaire en la forme comme sensuit, assavoir que les deputez des cloistres des Augustins de Gand, Enguien, Dordrecht et Herlem ont canoniequement et d’une commune voix esleu et dénommé pour estre leur prélat et vicaire, frére Jehan Mechelen, prieur du couvent des Augustins de la ville de Dordrecht, qui est docteur en théologie, homme de bonne vie et honneste conversation, et les autres deputez des couvents dAnvers, Encuse et Coloinge nont volu procéder à lad. election comme leur auez ordonne et commandé de faire, comme entendrez le tout plus à plain par les lettres encloses en cestes et par frére Jacques Dassonneville, docteur en théologie, porteur de cestes, auquel prions donner foy et credence; et que il est nécessaire de impétrer de nostre S’ Père le pape la confirmation dud. esleu vicaire avec telz et semblables droitz, priviléges, exécutions, libertez et prérogatives, desquelz en use et joyt le vicaire dAllemaigne.
Si escripuons présentement à voz haulteurs, supplians en toute humilite quil vous plaise de vostre bonne grace pour le bien et augmentation de lad. réformaeion en eussent vostre promesse tant faire devers nostred. St Pere que ladicte élection, le plustost quil sera possible, puisse estre confirmee, ratiffiée et approuvee avecq telz droictz, libertez et Privileges comme dessus; en quoy faisant ferez service aggreable à Dieu, et ä nous tres singulier honneur et plaisir, lequel voulons recongnoistre de tout nostre povoir ä layde de Dieu nostre créateur que vous, ma très redoubtée dame, ayt en sa saincte garde.

Escript à Gand, le viij° jour daoust xvc et xxij
Les tous vostres tres humbles et bienveillans scrviteurs bailli, eschevins des deux bancs et deux doyens de la ville de Gand, appareillez à vos bons plaisirs et service.

Rijksarchief te Brüssel, los blad, vroeger in Documents relatifs à la Réforme religieuse, deel I, fol. 1 (Archives allemandes); waaruit een klein uittreksel bij Henne, deel IV, blz. 309, noot 1. — Het kapittel werd te Dordrecht op de zondag na Maria-Magdalenadag (27 Juli) gehouden. Reeds 5 Juni schreef Luther in een brief aan Spalatinus : “ Et saevit Caesar prohibetque, ne nostri fratres ad capitulum vicarii venirent. ” Dat kapittel werd te Grimma in Saksen op Pinksterdag (8 Juni) gehouden. Met nostri fratres bedoelt Luther de Nederlandse augustijnen. (E. L. Enders, Luther’s Briefwechsel, deel III, blz. 396.)


nr. 96: 1522, September, Neurenberg. (over Proost/Praepositus die vanuit Wittenberg in Neurenberg is gearriveerd)

Uittreksel uit eenen brief van den augustijn Karel Rose aan Nicolaas van Kniebys over de aankomst aldaar van Jacob Praepositus, vergezeld van den minderbroeder, die hem te Brussel uit zijnen kerker heeft helpen ontsnappen. — Praepositus verblijft er met den minderbroeder, die het kleed der augustijnen heeft aangetrokken. Luther verblijdt er zich over (uitspraak van hem wordt geciteerd zoals vernomen uit de mond van Hieronymus Ebner).

Novitates he sunt… Frater Jacobus Antvperpiensis prior apud nos est et moram agit, liberatus (“literatus” staat er foutief) a carcere per quendam fratrem tercij ordinis s. Francisci, qui etiam apud nos moram agit in veste augustiniana, ad quem Jacobum (retulit heri dominus Hieronymus Ebner noster civis potens) Lutherus sic dixit : ” Wen solche flammen aus dem feuer fligce, so wirdt ich noch lang nicht verprent. »


Oorspronkelijk handschrift in de Wolffsche verzameling ter Stadsbibliotheek van Hamburg; afgedrukt bij Kolde, Analecta Lutherana, blz. 41.
Voor Luther’s briefwisseing over Probst, zie apart document

nrs. 97-112: verwijzingen naar het vrouwenoproer, de arrestatie van Hendrik van Zutphen en de ontmanteling van het Augustijnerklooster

nr. 97: 1522, 29 september: Excellente cronike van Vlaenderen – vrouwenopstand

¶ Item up sinte Michiels dach, doen was Tantwerpen een remoer ter causen van eenen predicant vanden Augustijnen clooster aldaer, om dat hi sommeghe dinghen ghepreeckt hadde, ende wart ontboden te commen bi eenen siecken in die munte, ende doen hy daer quam, die Marcgrave van Antwerpen leyden ghevanghen in sinte Michiels clooster, in een camere. Hier duere rees het rumoere voorseyde, so datter sommighe vanden ghemeenten quamen geassisteert wel met .iijc. vrauwen. Ende deden up die camere sulck een ghewelt, so dat syen daer uit creghen, ende leyden hem weder in sijn cloostere. Des anderdaechs ghinc hi ooc naer Luther. Ende doen wert me vrauwe Margriete seere verstoort, ende wilde hier over iusticie ghedaen hebben, so dat die sommeghe die stadt rumen moesten, ende daer wierden .ij. oft .iij. vrauwen ghevanghen die corts daer naer los ende vry uit quamen.
¶ Vp sinte franciscus dach daer nae, so wast verboden Tantwerpen, datmen in gheen
cloosters preken en soude dan in die prochie kercken welc gheringhe weder anders
was.

Anoniem, Dits die excellente cronike van Vlaenderen (DBNL), 1531 Willem Vorsterman, Antwerpen. vol. 2, folio 13vo. Ik heb voor de leesbaarheid de u/v/w uit het origineel ontward en ontvouwd, net als de afkortingen.

nr. 98: 1522, 29 september: Antwerpse chronykje (c.s.) – vrouwenopstand

nr. 99: 1522, ca. 10 oktober: brief Geldenauer – vrouwenopstand

nr. 100: 1522, 11 oktober: rekening schout over schandpaal o.a. boekbinders Adriaan en Arend

nr. 101: 1522, 11 oktober: Antwerps Chronykje schandpaal drukker en zegelsteker als lutheranen

zie nr. 98

nr. 102: 13 oktober: Antwerpse magistraat: plaatsverbod augustijnerklooster

nr. 104: 13 oktober: Antwerpse vierschaar: veroordeling Margriet Boonams

Het vonnis uit het correctieboek (of gebodboek) (tekst uit Antwerpsch Archievenblad overgenomen, verbetering t.o.v. de versie van Frédéricq.)

Margriet Boonams, diemen heet sGramhans, van Mechelen, overmits dien dat zy nu, in Maendage tsavons lestleden, groote beruerte, commotie ende gerucht van roepene, crytene onder tvolck gemaict heeft voere tcloester vanden Augustynen, daer de Heeren vander Wet innewaeren, sprekende opte selve Heeren injurieuse ende afdragende woerden, daeraf de Heere ende stad wel geinformeert zyn, sal porren, bynnen sonneschyn, uiter stadt ende vryheyt, ende bynnen den derden daghe, uiten Mercgreefscape van Antwerpen, ende doen een pelgrimagie te Nycossien, in Cypres, ende, na brieven daeraf gesonden, nyet weder inne comen, zy en hebben yerts sHeeren ende der stadt gemoeye, op ten put.

BRON: Antwerps correctieboek (gebodboek noemt een andere bron het. Is dat hetzelfde?), 1513-68, fol. 20. orthografisch heb ik enkel de w > ui vervangen.

nr. 105: 22 oktober: Antwerpse magistraat: verbod commissarissen lastig te vallen.

nr. 109: 1522, 25 november Brief Wolfgang Rychardus aan Bassicanus – o.a. vrouwenopstand. Dit verslag brief maakt de indruk ‘van horen zeggen’ te zijn (de zinswending komt ook één keer voor in de brief zelf).

SAMENVATTING uit Frédéricq: Brief van Wolfgang Rychardus aan Joh. Alex. Brassicanus over de blinde boosheid der monniken, die te Antwerpen de augustijnen onlangs vervolgd hebben. — De Landvoogdes, te Antwerpen zijnde, werd door de monniken aangezet om de augustijnen te strafFen. Een augustijn (Hendrik van Zutphen) werd eerst in de keizerlijke Munt (slordigheidje van Rychardus? – of heeft hij andere bronnen), daarna in de St-Michielsabdij opgesloten ; maar een oproer van vrouwen verloste hem uit de gevangenis, waarop enkele vrouwen werden aangehouden. Eene solemneele processie ging het heilig sacrament uit het augustijnenklooster halen en de Landvoogdes gaf bevel het klooster zelf ten gronde af te breken. Dit alles was het werk der razende monniken.

De monachis autem quod scribis, qui non solum bonis artibus imposuerunt, verum etiam omnium seculorum moribus et negotiis impendio tenebras offuderunt : pestis illa plus quam harpica. Sed audi quid iam novitor Antuerpie novi speciminis sue alee designarint.
Venit domina quedam Margareta, cui Caesar ex fratre nepos, Antuerpiana, magna comitante dominica suorum clientela; senatumque pro subsidiarijs pecunijs appellans, aliquot dies morata. Ne nihil ageret, a monachis cacodemonis adacta in monasterium augustinianum cum suo satellitico irruptionem fecit indidem monachum qucndam, qui, quod dominicastris displicuit, omni autem alij plebi summe probatur, declamavit. Quid multis? Augustinianus vi ereptus. primum in Caesaris monetariam domum coniectus in vincula, postea, murmurante plebe, ad sanctum Michaelem coenobiarchae traditus in vincula coniectus.
Tota urbs tumultuans vix facinus hoc inultum dominicastris transire sinit. Sed tandem plus amplius quingentae mulieres gladijs (ut aiunt) et fustibus sancti Michaelis monasterium obsederunt, effodiendo irrumpendo tandem augustinianum e vinculis liberarunt pristinoque monastcrio restituerunt.
Hoc facinore agnito, domina Margareta cum suis alpha et beta atque satellitibus aliquot mulierculas tumultus vexilliferas in carcerem abdidit; acccptaque tota illa (ut est) Antuerpicnsi ecclcsia sacerdotibus et monachis junioribus cum maioribus, facta splendida supplicatione, eucharistiae sacramentum processione ex augustiniano monasterio rclatum in aliud, templum totum dirui iussit. Cuius facti iam omnes palam de Mercurij tribu ad nos diuertentes nouitatem in monachos deflectunt.

Handschrift Hamburgse Stadsbibliotheek ;
afgedrukt bij Th. Kolde, Annalecta Lutherana, blz. 49, 50.

nr. 110: 1522, 29 november. Brief van Hendrik van Zutphen aan Jacob Proost c.s. over zijn ontsnapping

Frédéricq schrijft de versie over uit Gerdes, Historia Reformationis, deel III. Monumenta, blz. 13-15. Gerdes verwijst naar J.E. Kapp, Kleine Nachlese einiger größtentheils noch ungedruckter, und sonderlich zur Erläuterung der Reformationsgeschichte nützlicher Urkunden. 4 vols, (Leipzig 1727–1733), vol 2, daar p. 550-553. Heer een scan uit GERDES:

nr. 112: 1522, 19 december. Brief van Luther aan Wenceslas Link te Altenburg (zijn overste), o.a. vrouwenosptand, bevrijding Hendrik van Zutphen en het vervolg: klooster afbraak en processie sacrament. Luther is goed geïnformeerd.

Quae Antverpiae gesta sunt, credo te nosse, quomodo mulieres vi Henricum liberarint. Monasterio expulsi fratres, alii aliis locis captivi, alii negato Christo dimissi, alii adhuc stant fortes ; qui autem filii civitatis sunt, in domum Beghardorum sunt detrusi. Vendita omnia vasa monasterii, et ecclesia cum monasterio clausa ct obstructa, tandem demolienda. Sacramentum translatum tanquam e loco haeretico susceptum honorificc a domina Margareta. Cives aliquot et mulieres vexatae et punitae. Ipse Henricus ad nos ascensurus Bremam pervenit, ubi moratus et rogatus a populo verbum docet, jubente senatu, invito episcopo.

E. L. Enders, Luther’s Briefwechsel, deel IV, blz. 39.

nr. 106 (bis) (vol V, nr. 772 ) 1522,  5 November,  Nürnberg. Vrouwenoproer. Brief van Francesco Chieregati aan Isabella d’Este,

Uittreksel uit een brief van  de pauselijke nuntius Francesco Chieregati aan Isabella d’Este, markgravin van Mantua, over de aanhouding van een Augustijn te Antwerpen en zijn bevrijding door een vrouwen-oproer, alsmede over de maatregelen, genomen door de landvoogdes Margaretha tegen de Antwerpse Augustijnen, en hun effect.

Credo  che  V.  Exca harà  inteso,  qualmente  fu  un  certo  predicatore   in Anversa in Barbantia del’ ordene  de S. Augustino, che mese passato andava predicando  la doctrina  de Luthero  et che la Illa Siga Margarita clanculum, per timore che il  populo  non  si levasse, el fece prendere et condurre  in presone  in uno monastero de uno castello, dicto S. Michele, et come se fece uno exercito  de più de doi milia donne, che armate  di arme  et de bastoni, per  forza lo  andarno  a  liberare.   Di poi  V. Exa saprà,  perche  li  frate  di S. Augustino in la dieta città  de Anversa andavano continuamente spargendo tal veneno sempre più, la prefata Siga li fece prendere  tueti  et li ha mandati ad manducandum panem doloris in una aretissima  rocca, dove faranno bona penitentia  de li  soi peccati. Di poi S.  Exca ha facto fare lo inventario de tutti li beni de lo monasterio et ha facto cazar fuoco dentro per dare exempio a  li altri, che non vadino seminando tanta heresia,  del quàl claro et generoso acto se ne e posto tanto terrore  fra Lutherani,  che ogni uno ne trema.

Stadsarchief  te  Mantua,
afgedrukt  door B. Morsolin in:
Atti della R. Academia Olimpica di Vicenza, deel III (1873), blz. 222.
Zie ook Corpus IV, nrs. 95, 97-99, 102-106, 118-121, 131, 138 en volgende.

ENGLISH TRANSLATION (with thanks to google)

I believe Your Excellency will (be interested to?) know, that there was a certain preacher in Antwerp, in Barbantia, of the order of Saint Augustine, who last month was preaching the doctrine of Luther, and that Illma Sig. Margarita Claneulum, for fear that the people would rise up, had him seized and led away to a monastery in a castle called St. Michael’s, and that an army of more than two thousand women rose up, and armed with arms and sticks, went by force to liberate him.
Then Your Excellency will know, because the friars of Saint Augustine’s in the said city of Antwerp were continually spreading such venom more and more, the aforesaid lady had them all taken and sent to manducandum panem doloris in a very ancient fortress, where they will do good penance for their sins.
Then His Excellency had an inventory made of all the possessions of the monastery and had them burned in order to give an example to the others, so that they would not sow so much heresy, which clear and generous act caused such terror among the Lutherans, that every one trembles.


nr. 120. 1523, Januari 10, (Valladolid). Uittreksel uit brief van keizer Karel aan de Margaretha over het straffen van de Augustijnen en het afbreken van hun klooster.

De keizer keurt alles goed, mits men den paus raadplege en de kerk (het gebouw) niet afbreke, maar in een parochiekerk verandere.

Je vous scay bon gré des procedures que fetes faire contre les augustins dAnvers et de ceulx qui ont aydö ä rescouvrer le pryeur, pour les heresies lutherianes, esquelles ilz ont este trouvez. Et est mon intencion que fetes bien pugnir tous les delinquans, ainsi que par droit se verra appartenir. Et quant ä la demolicion que desirez faire dudit cloistre et de l’eglise pour une perpötuelle memoire du cas y advenu, je suis bien d’aviz, quant en aurez eu le congie de nostre saint pere, que les habitacions des religieux soient desmolies en reservant seulement en son entier l’eglise pour enfaire une paroisse, et en ce eomplaire ä ceulx de ladite ville, qui vous en
ont requiz.

Rijksarchief te Brüssel, Reg. Correspondance, deel I, fol. 64; aangehaald bij Henne,

nr. 120 (bis) (vol V, nr. 773). 1523, [Januari 16,) Antwerpen. Afbraak van het klooster.

Uittreksel uit de kroniek van Spalatinus over de afbraak van het klooster van de Antwerpse Augustijnen, door de landvoogdes Margaretha bevolen.

Margarita, Caes. Maximiliani fllia, in odium Lutheranor coenobium et templum Augustinianorum Antwerpiae demolitur.

Chronicon sive  Annales  Georgii  Spalatini  (1513-1526)
bij Jo. Burchardus Menckenius, Script, rer. Germanic,  deel II, kol. 618.
Zie Corpus IV, nr. 99, blz. 139; nr 103, blz. 141, en nrs 120 en 121, blz. 176-177.


nr. 144. – 1523,  Brussel 1 Juli.
Brief van inquisiteur Vander Hulst aan Jan Pascha, prior der minderbroeders van Mechelen, over de last-minute herroeping van de twee verbrande Augustijnen

Samenvatting: Met vreugde zegt hij van de drie  biechtvaders en van anderen vernomen te hebben, dat de twee veroordeelden, alvorens in  de vlammen te sterven,  herroepen hebben en zelfs de omstanders zouden bezworen hebben het oude voorvaderlijke geloof getrouw te blijven. Meer dan honderd omstanders werden daardoor zeer gesticht. De bekering zelf wordt toegeschreven aan Maria (wier feestdag…)

Eximio domino religioso patri mag[istro] nostro m[agistro] Pascha, s[anctae] t[heologiae] professori spectatissimo, conventus carmelitarum Mechliniensis priori.

Eximie magister noster, prae gaudio non potui omittere quin scriberem reverentiae vestrae me certe e tribus fratribus confessoribus istorum duorum igni traditorum ac aliis habere, eos ipsos ultra modum catholice mortuos et in praecinctu mortis satis tamen notabili spatio sive tempore revocasse nedum omnes haereses, verum Lutheranos ab ecclesia condemnatos et praesertim eos quos ipsi tenuerunt, credentes nedum in sanctam ecclesiam catholicam, sed addentes Romanam; rogantes assistentes ne quis proprio sensu staret praesumptuose, unde et ipsi se deceptos fatebantur, sed in flde parentum, praedecessorum et Ecclesiae praelatorum ; credentes dominum nostrum papam verum esse Petri successorem, etc. Etiam ita devote, ut nedum isti confessores, verum etiam plus quam assistentium centum ultra modum aedificati abierunt, ita ut ferme miraculose istud accidisse visum sit.
Quod volebam nescia ne esset d[ominatio] v[estra], ut cunctis palam fieri possit et praesertim domino meo decano Mechliniensi. Quibus ne plurimum, commendo d. v., etc.

Raptim ex Bruxella, prima Julii, anno 1523.

Franciscus vander Hulst, d. v. servitor et amicus.

OPMERKING (Frédéricq)
Naar een gelijktijdig afschrift, dat zich in een register van het minderbroedersklooster te Mechelen bevond, en is afgedrukt bij Diercxsens, Antverpia nascens, deel IV, blz. 5 (2° uitgave, 1773). De herroeping der twee Augustijnen op den brandstapel is een louter verzinsel.


nr. 145. – 1523, [Brussel, 1 Juli].
Aantekeningen van Jan Pascha bevattende de namen, de ontwijding, de verbranding van de beide Augustijnen en de herroeping van de derde.

NB: de tekst hieronder is de kopie die Diercxsens van dit document maakte inclusief de inleiding hierop van Diercxsens.

Joannes Pascha, carmelitarum Mechliniensium prior et unus ex inquisitoribus, addens tertium [augustinianum] detentum ex ultima abductione, haec propria manu inscripsit registro dicti conventus :
« Quorum nomina fuerunt f[ratres] Henricus Vos ex Busco-ducis, Johannes vanden Esschen, Lambertus de Thoren. »
…. Scripsit Joan. Pascha in supradicto registro :
« Dom. Adrianus de Brugis, suffraganeus Cameracensis, fecit actum degradationis. M… Bituricensis, d. abbas Grimbergensis, d. Hieronymus cancellarius Brabantiae sederunt ad latus magistrorum nostrorum cum dominis de concilio Brabantiae, et viderunt actum degradationis; et et nos magistri et praesertim inquisitores tradiderunt duos primos in manus cancellarii… Tertius coram populo revocavit haeresim omnem et Lutheranam. »

OPMERKING (Dick Wursten):
Blijkbaar werden midden 18de eeuw de eigenhandige aantekeningen van Pascha nog in Mechelen bewaard (daar dan geraadpleegd door Diercxsens). De beschrijving van de personen aanwezig bij de verbranding ook al in de eerste druk (1748-1755). De namen van de drie ketters verschijnen voor het eerst in de tweede druk van Antverpia nascens, deel IV, blz. 1, 2, 3. De herroeping van Lambert Thoren wordt betwist. Andere bronnen spreken van ‘uitstel vragen’ (maar de facto is dat hetzelfde als ‘ophouden met ketter te zijn’ want de hardnekkigheid is noodzakelijk kenmerk om iemand ketter te mogen noemen). Opvallender is echter dat Pascha wel de herroeping van Lambert Thoren vermeld, maar met geen woord rept over de last-minute herroeping van de andere twee, ondanks de brief van van der Hulst. Jan Pascha is wel een echte ketterbestrijder, maar geen leugenaar. De alt-facts van Van der Hulst kan hij niet overnemen, want hij was er zelf bij…


nr. 146 – 1523. 1 juli 1523. Uittreksel uit een latere brief van Erasmus over Lambertus aan Karel Utenhove (Gent) (Freiburg in Breisgau, 1 Juli 1529).

Hier meldt Erasmus de zogenaamde herroeping van de Augustijnen. De informatie die hij hier verstrekt lijkt me als bron niet echt relevant, want ze loopt opvallend parallel met de historia. Omdat ze voor voor veel verwarring heeft gezorgd (de brieven van Erasmus waren lange tijd de meest geraadpleegde bronnen) rond het lot van Lambertus Thoren, neem ik ‘m toch over. Luther was veel beter geïnformeerd. En 20ste eeuws onderzoek (o.a. in aanzet al van Frédéricq zelf en vervolmaakt door De Cavele) heeft hier uitsluitsel gegeven. Lambertus stierf in gevangenschap, zonder te hebben herroepen, en zonder te worden zijn verbrand. Hij is begraven op het galgeveld buiten Brussel (nu ‘altitude/hoogte’ 100).

…. At ego Franciscani dictis nihil habeo fidei, praesertim quum hoc sit istis solenne, post exstinctum hominem spargere rumores, quod in incendio cecinerit palinodiam, quo simul et vindicatae religionis laudem auferant et multitudinis invidiam calumniaeque suspicionem effugiant. Nam quum Bruxellae primitias immolassent, exustis duobus monachis augustinensibus, tertio in carcere reducto et clam interfecto, quum mira constantia mortem oppetissent, quae res judicibus gravem movebat invidiam, sparserunt ridiculam fabulam, unum ex illis apparuisse cuidam augustinensi, qui nuntiaret animas illorum esse incolumes, quod in extremis resipuissent, videlicet jam in ipso incendio; idque factum precibus Virginis matris. Nam et pridie Visitationis exusti sunt, et Nicolaus carmelita magno studio sacrificium hoc procurarat. Rogatus carnifex ecquam poenitentiae vocem edidissent in rogo, negavit; sed quum ducerentur ad palum, clara voce testati sunt se mori christianos, et alligati palo, admoto igne, canere cceperunt symbolum fldei, mox doxologiam Te Deum laudamus, donec flamma vocem intercluderet.

Erasmus, Opera omnia, deel III, pars posterior, blz. 1207.
Over Lambertus meldt hij dat hij i zijn cel is gedood. tertio in carcere reducto et clam interfecto. Dat klopt dus niet. Hij is gewoon 15 September 1528 gestorven (zie aldaar).


nr. 146 (bis) (vol V. nr. 775). – 1523, Juli  1 en 3, Brussel. Spalatinus over de verbranding

Uittreksel uit het  Diarium  van Georgius Spalatinus over de verbranding der drie Antwerpse augustijnen te Brussel.  — Aangaande de  twee die op 1 Juli zijn terechtgesteld, zegt Spalatinus dat hij een schrijven heeft ontvangen van een ooggetuige, een zekere Lambertus Mulmannus (Mij verder onbekend).
Nr. 3 zo lees ik zou op de 3de juli hetzelfde lot zijn ondergaan (= dus foutieve info). Nog volgens deze auteur zou Johan van den Esschen de jongste zijn geweest. Terwijl hij elders als medestichter van het klooster te boek staat en ca. 30 jaar moet zijn geweest. Dat is niet oud, maar zeker ook niet jeugdig.

Prima  die Julii  [a° MDXXIII] Bruxellae  duo Augustiniani,  prius Antwerpiae ejecti, sunt eodem et crimine et nomine exusti;  tertio vero Julii ibidem tertius: magna omnes  constantia Christum  et   veritatem   et   doctrinam evangelicam professi, fortiter in Domino defuncti,  hoc verbo :  « Jhesu,  fili David, miserere  mei! » frementibus  plebejis.  Adducti instar Christi ad tria tribunalia  : 1. judicio  Eccl[esiae], episcopis et sacris vere sacris;  2. judicibus  et senatui  Bruxellen[sis];   3. consiliariis D[omi]n[ae]  Margaritae, qui  eos  tradiderunt carnifici,  carnifices  per  carnifices. Et  merito. Quid  enim  aliud  facerent carnifices? nullis non carnificibus immaniores.  Juniori  nomen fuit Johannes Nesso. Successori  autem   Jacobi Praepositi, olim  Antwerpien[sis] prioris, Christi per  carcerem confessoris, Lamberto.  “De duobus die I. Julii exustis Lambertus Mulmannus, Augustalis satelles, qui incendio interfuit, ex Bruxella ad me G. Spalatinum scripsit.”

Chronicon  sive Annales  Georgii  Spalatini  (1513-1526), bij :
Jo. Burchardus  Menckenius, Scriptores rerum Germanicarum,  deel  II,   kol.  628; 
Zie ook Otto Clemen, Beiträge zur  Reformationsgeschichte, Erstes Heft,  blz. 45.


nr. 148. – 1523. Historia de duobus Augustinensibus… ex alia epistola…. Articuli Asserti.

Twee latijnse brieven en de 62 opvattingen op grond waarvan de ketterij is vastgesteld. Deze teksten zijn elders op deze site getranscribeerd en vertaald:

Naast de eerste brief (de historia) wordt er een excerpt uit een andere brief meegepubliceerd in dit boekje, dat in Basel gedrukt is. Hier wordt de standvastigheid van de martelaars naar voren gehaald, en dat dit de bewondering van den  kanselier heeft opgewekt. Over de verbranding wordt enkel gememoreerd dat men het ‘symbolum’ (geloofsbelijdenis) heeft geciteerd en dat ze herhaaldelijk Jezus hebben (aan)geroepen. De namen van de geestelijke rechters worden genoemd: Egmondanus (= Nicolaas Baechem van Egmond), Godschalck, Lathomus (Jacob Masson), Ruard Tapper en Jan Pascha. Ook wordt uitgelegd dat Frans Vander Hulst door de paus (Adrianus VI) gemachtigd was om als Egmondanus als inquisiteur aan te stellen en dat zij naar Holland zullen gaan om er Cornelis Hoen en andere gevangenen te onderzoeken op ketterij. Men is wel beducht voor volksoproer en hoopt de menigte door een voorbeeld te stellen af te schrikken.

Ex alia  epistola.

De exustis hic Bruxellae  duobus Augustinensibus  credo ab aliis perscriptum. Incredibili constantia  aut pertinacia  mortem acerbissimam pertulerunt. Cancellarius  affirmabat,  se nihil unquam simile vidisse inter  tam multos suo tempore condemnatos ac supplicio affectos. In  media flamma symbolum recitabant  atque Jesum identidem inclamabant.
Judices erant Hochstratus, Egmondanus, Hodscalcus, Lathomus, Ruardus. Aderat  et Pascha carmelita Mechliniensis. Francisco  Hulst commissum est diplomate pontif[icis] ut ipse nominet inquisitorem, modo praelatum aut theologum. Is nominavit continuo Egmondanum. Hi omnes  dicuntur ituri in Hollandiam ad Hoen et Ludungnum (sic) Delfensem, pridem  in carcerem conjectum. Caeterum valde metuunt, ne quis illic tumultus exoriatur,  ut  sunt homines, quanquam exemplum plurimos absterrebit,  ut sperant. Nondum concordant, an velint omnes ire; alii alias causas nectunt.
Saluta meis verbis Joannem Zwinglium et Huttenum.
Rebus his satis exploratis, ad vos revolabo; ibi in hypocaustis omnia commentabimur.
Ex Bruxella, pridie idus Julias,  etc. (= 14 juli 1523)

OPMERKING (Dick Wursten): deze brief past qua inhoud goed bij Basel als plaats van publicatie. Bij Cratander werkte toen Johann Oecolampadius (Hussgen), gekende en ook in de Nederlanden een geliefde theoloog/zielzorger. Connecties met Zürich (en dus Zwingli) zijn naturel voor Oecolampadius. Van zijn hand verschijnt in hetzelfde jaar een satire op Latomus (een confessio waarin Latomus nederig al z’n fouten belijdt). Dit geschrift is niet anoniem. Oecolampadius is de auteur, Cratander de drukker/uitgever. Gebruikt lettertype is hetzelfde. Het vierde stuk uit deze uitgave is een geleerde vermaning tot standvastigheid (de adressant is een niet nader genoemde broeder, die onder druk van vervolging bezweken is en heeft herroepen), zou zo van de hand van Oecolampadius kunnen zijn. NB: Lamertus Thorn ontvangt in gevangenschap een boek (commentaar) van Oecolampadius. Advocaat Jan der Kinderen correspondeerde met hem. De laatste vind ik een geschikte kandidaat voor het auteurschap van de Latijnse historia, en/of van de ‘alia epistola’.

  1. In de uitgegeven Annales Antverpienses van Papebrochius ontbreekt het gedeelte handelende over de jaren 1477-1534, dat ook in het handschrift ontbreekt. Papebrochius zegt in den korte inhoud, die hij van zijn Annales zelf maakte. “1522. Secretarius Grapheus post haeresim Bruxellis et Antverpiae epuratam exilio muletatur.”