500 jaar geleden hadden twee Antwerpse ‘Austin friars’ (Augustijner monniken), Johan van den Esschen en Hendrik Vos1, de twijfelachtige eer om de ‘eerste martelaren van de Reformatie’ te worden. Op 1 juli 1523 werden ze na een lang proces (geloofsonderzoek, ‘inquisitie’), bedoeld om hen tot inkeer te brengen, veroordeeld als ketters, omdat ze hardnekkig bleven vasthouden aan hun opvattingen. ze werden publiekelijk ontwijd, en daarna op de Markt van Brussel verbrand.

500 jaar later willen we dit gedenken. Niet om propaganda voor-of-tegen iets of iemand te voeren. Nee, gewoon omdat je als christenen ook de zwarte bladzijden in je eigen geschiedenis – liefst samen – onder ogen moet zien. Wat was daar aan de hand? Had dat niet anders gekund? gemoeten?

  1. Het verhaalvrij naverteld met bronverwijzingen (Dick Wursten).
  2. De voornaamste bronnen online beschikbaar:
  3. Het strafdossier62 opvattingen die Hendrik &c niet wilden herroepen (Latijn/Nederlands)

De ketterverbranding resoneerde in heel Europa, en leidde tot een fel debat. Als het over leven en dood, hemel en hel, goed en kwaad gaat, is er geen onpartijdige pers – toen niet, nu niet. Ieder die het vertelt, spreekt zich er ook over uit, reageert erop. Het gevoelen is aanwezig in de woorden, de beelden, de adjectieven. Wij vinden het vaak aangrijpend, tragisch. In de 16de eeuw lezen we over geloofsmoed, heldhaftigheid, standvastigheid (martelaars voor het ware geloof), en over hardnekkigheid, verdwazing, misleiding (ketters).

Natuurlijk ontstond er ook discussie over de feiten zelf: ‘factum est’ – wat is er precies gebeurd, gezegd, en hoe wordt het verstaan? ‘alt-facts’ zijn van alle tijden. Frans vander Hulst (regeringscommissaris belast met het onderzoek naar ‘Lutherije’, inquisiteur) had gehoopt op een late bekering, of – indien niet – een gruwelijk einde: afschrikkingseffect. Het was anders uitgedraaid. Ze bleven volharden en stierven waardig. Hij bestond het om daags na de executie een brief rond te sturen (zowel naar Mechelen2 als naar Brussel 3 waarin hij meedeelt dat men hem bericht heeft dat beide Augustijnse broeders op het allerlaatste moment hun dwalingen zouden hebben herroepen en expliciet loyaliteit aan de Rooms-katholieke kerk zouden hebben beleden. Iets wat door anderen (eigenlijk alle andere bekende getuigenissen) ten stelligste werd ontkend. Maar het kwaad is geschied (of de brief heeft z’n effect niet gemist, als je het van de andere kant ziet): Nil novum sub sole. Het gerucht over de late bekering bleef de ronde doen. Eén van de redenen ook dat Luther in de pen is gekropen en zijn lied heeft gedicht/gezongen. Het wil het ‘echte verhaal’ vertellen over wat er gebeurd is. De bewuste verspreiding van het gerucht zelf wordt er trouwens ook in vermeld.

  1. In 1523 noteert Jan Pascha de namen in de nota’s van het proces: F[rater] Henricus Vos ex Busco-ducis, F[rater] Johannes van den Esschen.
  2. gericht aan Johan Pascha die mede het onderzoek gevoerd heeft. De nota’s die hij na het proces heeft gemaakt zijn, bevatten de namen en een uittreksel uit de brief. Opgedolven en gepubliceerd in Diercksens, ed. 1773
  3. passage uit de historia waarin ‘een franciscaan’ er in een preek naar verwijst, daags nadien

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *